Zijn voedingsmiddelen waaraan vitamines zijn toegevoegd goed voor de gezondheid?

Deze producten zijn in het algemeen beter dan voedsel dat geheel of vrijwel geheel uit "loze calorieën" bestaat, maar minder gezond dan onbewerkte biologische producten. Het vaak eten van verrijkte producten kan ook zeker orthomoleculaire suppletie niet vervangen.

Het toevoegen van micronutriënten aan voedingsmiddelen was vroeger (met uitzondering van enkele nauwkeurig omschreven toevoegingen) verboden maar is thans onder zekere voorwaarden toegestaan. Er worden 4 vormen van toevoeging onderscheiden: restauratie, substitutie, versterking en verrijking.

Restauratie is het toevoegen van micronutriënten om verliezen tijdens of na de productie te compenseren. Substitutie is het door toevoeging van voedingsstoffen zoveel mogelijk gelijk laten zijn van een substitutieproduct (bijvoorbeeld sojadrank voor melk) aan het originele product. Versterking is het verhogen van de concentratie van een reeds in het product aanwezige voedingsstof. Verrijking is het toevoegen van voedingsstoffen die nog niet in het product aanwezig zijn. Het woord verrijking wordt ook wel gebruikt voor het toevoegen van microvoedingsstoffen in het algemeen.

Alle bekende vitamines, mineralen en spoorelementen mogen, op twee uitzonderingen na, worden toegevoegd. De uitzonderingen zijn jodium en fluor; voor toevoeging van deze twee stoffen gelden specifieke voorschriften.

De vitamines A, D en foliumzuur en de spoorelementen koper, selenium en zink mogen slechts worden toegevoegd aan gerestaureerde producten en substitutieproducten. Met deze maatregel wil de overheid voorkomen dat de consument van deze stoffen teveel naar binnen krijgt.

De kans op overdosering door consumptie van verrijkte voedingsmiddelen is overigens buitengewoon gering, gezien de lage concentraties die worden toegepast. In restauratie en substitutieproducten beperkt men het gehalte tot de van nature in de producten aanwezige hoeveelheid van de betreffende voedingsstof. Bij andere toevoegingen hanteert men een onder en bovengrens, namelijk van respectievelijk 15% en 100% van de ADH.